Aug 31
Op vakantie zaten we in een Pousada. Een soort kruising tussen een hotel en een motel, zegmaar. Gewoon de vorm waarin hotels daar nu eenmaal zijn. Het kan er speciaal voor gebouwd zijn, maar ook vanuit de staat omgebouwd belachelijk groot huis. Of iets dergelijks. Pousada Chaua was in elk geval nieuwbouw. Vier nederlanders en verder een stuk of vijftig Brazilianen. Vakantie zoals vakantie bedoeld is.

Het opvallenste aan ons plekje waren de papegaaien. Een koppeltje zwierf over het binnenplaatsje en kwetterde er op los. Rafa?l! krijsten ze naar de schoonmaker. San Pedro! naar ieder die maar voorbij kwam. Mijn aandeel in het taalgebruik van die beesten: fluiten. Echt fluiten, als een bouwvakker. En toen zat ie op Pluis' schouder. En wilde er niet meer af. Fluit fluit, in d'r oor.

Tja, en wat doe je dan? Je gaat zingen. Althans, dat dacht Pluis. Een toonladdertje ofzo. Dat begrepen die beesten en ze begonnen na een paar noten lustig mee te doen. Maar dan net vals, en steeds harder. Do, re, mi, fa, sol, la, ti, do! En die beesten dus bij de fa: Krraaaaaah kraaaaaah kraaaaaah. Wel telkens net iets hoger, maar het klonk nergens naar. De moraal: Papegaaien zijn a-muzikaal. Daarom imiteren ze, iets vanzelf mooi laten klinken is onmogelijk.



blog comments powered by Disqus